Eifelgids.nl

Welkom op Eifelgids.nl
Het online magazine over het prachtige Eifellandschap in Duitsland.

Eifel informatie


Hotelzoeker

Bezienswaardige steden en dorpen

Doe tips

Eifel

De Eifel - de geschiedenis

Al vanaf de oude steentijd is het gebied bewoond door mensen, zowel neanderthalers als moderne mensen. Het Neandertal waar de eerste neanderthalers gevonden zijn in 1856, ligt maar net ten noorden van de Eifel. Bij Gerolstein zijn grotten gevonden die bewoond werden tijdens het hoogtepunt van de laatste ijstijd. In de ijzertijd, vanaf ongeveer 800 voor Christus, werd er al ijzer gewonnen in de Eifel en de eerste smelterij van rond 500 voor Christus ligt bij Hillesheim. Al voor de Romeinse tijd werd ijzer haast fabrieksmatig verwerkt. De Eifel was al vroeg een economisch centrum. De bodemschatten die het gebied rijk was, werden vanaf de Romeinse tijd met behulp van het Romeinse wegennet in de wijde omtrek verhandeld.

Ten tijde van het Romeinse rijk werd het hele gebied van Zuid-Limburg, de Ardennen en de huidige Eifel “Arduenna silva” (het hoge woud) genoemd. De oudste schriftelijke overlevering van de naam Eifel is uit 762. Onder het Frankische rijk dat na de ineenstorting van het Romeinse rijk ontstond en zijn bloeitijd had tussen de vijfde en negende eeuw, was het gebied in twee gouwen verdeeld: Ardennen en Eifel. Na het verdwijnen van het Frankische rijk, bleven beide namen voortbestaan in het spraakgebruik. In de eeuwen die volgden breidde het gebied dat Eifel werd genoemd, steeds verder uit. Tegenwoordig bestrijkt het het gebied tussen Rijn, Maas en Moezel. In de late middeleeuwen was de Eifel het grensgebied tussen de aartsbisdommen Keulen en Trier, het graafschap Luxemburg en het hertogdom Jülich (Gulik). Het was een turbulent gebied, daarvan getuigt ook het grote aantal ruïnes van voormalige burchten en kastelen die alle bedoeld waren voor de grensbewaking. Door bekwaam beleid slaagden sommige kleinere vorstendommen en abdijen erin zelfstandigheid te verkrijgen, zoals bijvoorbeeld het vorstenhuis Manderscheid-Blankenheim, het graafschap Salm-Reifferscheid en de abdij van Prüm.

De mijnbouw en metaalverwerking die daarmee samenhing, vroegen om buitensporig grote hoeveelheden hout als mijnhout en houtskool, dat daardoor aan het eind van de achttiende eeuw sprake was van een bijna volledige ontbossing van het gebied. Ook de gewoonte om landbouwgronden af te branden heeft daartoe bijgedragen. Rond 1800 was de Eifel een gras- en weidelandschap geworden, eigenlijk alleen geschikt voor het weiden van schapen. De bevolking verarmde mede door de karige oogsten op de schrale gronden. Ook het feit dat de mijnen uitgeput raakten in de negentiende eeuw heeft aan die verarming bijgedragen. In diezelfde tijd werd het gebied ook door de Franse revolutionaire troepen bezet en was de Eifel het toneel van een groot aantal oorlogen. De bevolking werd meermaals gebrandschat. Met de aansluiting bij het Pruisische koninkrijk veranderde er weinig aan de levensomstandigheden van de Eifelse bevolking. Wel was het gebied strategisch van belang. De Pruisische protestantse ambtenaren en militaire die naar de katholieke Eifel werden gestuurd, beschouwden dat als een strafoverplaatsing. Wel voerden de Pruisen een planmatige herbebossing van de Eifel door, met voornamelijk naaldhout.

De negentiende eeuw bracht in de Eifel drie perioden van hongersnood, namelijk in 1816/17, 1847 en 1879/80. Rond 1850 at twee derde deel van de bevolking slechts een keer per jaar vlees. En slechts tien procent van de dienstplichtigen werd daadwerkelijk goedgekeurd voor de dienstplicht. De schrale bodem en het rauwe klimaat leidden steeds weer tot misoogsten en vele boeren hadden grote schulden. Na de hongerwinter van 1879/80 ging er een golf van solidariteit door het Duitse rijk en werd het Eifelfonds gesticht. Ook de slechte toestand van de wegen in het gebied die in de negentiende eeuw in schril contrast stond met die uit de Romeinse tijd, stond de economische ontwikkeling van de Eifel in de weg. Maar omdat de Eifel een in het grensgebied van Duitsland, België en Luxemburg lag, was het ook een doorvoergebied voor troepen naar Frankrijk. Daarom werd aan de wegen gewerkt en werden er spoorlijnen gebouwd. Deze bedrijvigheid en de betere bereikbaarheid die daarvan het gevolg was, had weer een goede invloed op het toerisme. Ook de bouw van de Nürburgring in de jaren twintig van de twintigste eeuw betekende een opleving. Het grensgebied van de Eifel werd uiteraard ook niet in de Tweede Wereldoorlog gespaard. In tegendeel het was samen met de Ardennen aan het eind van deze oorlog een strijdtoneel van de hevige gevechten van het Ardennenoffensief. Vooral de noordelijke Eifel heeft veel te leiden gehad van de oorlogshandelingen en ook nu nog zijn daar vele getuigen van te vinden, zoals ruïnes van bunkers en delen van de pantserlinie, vooral in Hürtgenwald.

Grote delen van de Eifel gelden tegenwoordig als economisch zwak. Er zijn geen grote industriegebieden. Landbouw vindt vooral plaats in de lager gelegen gebieden en dalen plaats. Veel boeren zijn overgeschakeld op het houden van maneges en zelfs ruiterstations met overnachtingsmogelijkheden. Langs de Rijn, Moezel en Ahr wordt veel wijn verbouwd en in de Wittlicher Senke zelfs ook tabak. Een ander gewild gewas voor de bierproductie is hop, dat op het Ferschweiler plateau wordt verbouwd. Op de hoger gelegen delen is slechts bosbouw en veeteelt mogelijk. De metaalertshoudende mijnen zijn sinds lang uitgeput, maar er wordt nog wel leisteen, gips en vulkanische koolzuur gewonnen in de Eifel. Beroemd zijn de vele minerale bronnen van de Eifel, die voortkomen uit de vulkanische oorsprong van het gebied. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de betekenis van het toerisme alleen maar toegenomen. Daaraan hebben ook de oprichting van natuurparken en de aanleg van wandel- en fietspaden in hoge mate bijgedragen.

>> Dorpen en steden in de Eifel